Teksten

Se Terrer - Stef Van Bellingen

‘Se Terrer’
(Tentoonstelling samen met Jean De Groote rond se terrer)

Het werk van Jan De Wachter en Jean De Groote spruit voort uit het Vlaamse landschap. Hun kunst zit er als het ware in geworteld, met wortels wordt in ruimere zin  zowel overgeleverde kennis en ervaringen, als het ganse culturele biotoop bedoeld. Beiden hebben een nauwe band met de natuur welke niet louter beperkt blijft tot een artistiek motief, toch vinden zij in de kunst het middel bij uitstek om deze relatie visueel tastbaar te maken. Zelf ben ik opgegroeid op de ‘boerenbuiten’ zoals men dat wel eens uitdrukt, maar ergens onderweg is de binding ermee onopgemerkt verloren gegaan. Achter ons huis lag een ‘hof’, van een tuin werd nooit gesproken, dat was meer iets voor mensen in de stad. Hoewel beide woorden verwijzen naar een brokje natuur, maakt het ene onderdeel uit van een stads-, het andere van een plattelandscultuur. Parallel hieraan voelen Jean De Groote en Jan De Wachter zich meer aangetrokken tot de wijsheden van de volkstraditie dan de waarheden van de elitecultuur.

Achter het huis van Jan De Wachter staat een trap die merkwaardig genoeg nergens toe leidt. Met enkele treden kan je de begane grond ontstijgen, even op die bescheiden hoogte vertoeven om vervolgens terug naar beneden te keren. Mocht Jan een tuin hebben, zou de trap vooral een opwaartse en verwijderende beweging van de grond accentueren, maar de trap staat in een hof en dient vooral om terug naar beneden te komen. Dit is de essentiële attitude van beide kunstenaars : zich naar de grond toe bewegen, terugkeren naar de essentie, op zoek gaan naar de grond der dingen. ‘Se terrer’ verwijst ook eerder naar het ploegen in dingen om er oorspronkelijkheid te ontdekken, dan men zich zou willen ingraven, verstoppen of verschansen. In die zin sluit ‘wroeten’ eveneens aan bij wat beiden doen. In het woordenboek verwijst het naar : woelen in de grond, zich uitsloven, ploeteren en krijgt het zelfs een metafysische dimensie in de betekenis van tobben. Verder wijst het woordenboek op het ‘wroeten in de mysteriën van de ziel’, wat beide kunstenaars niet vreemd is. Zelfs ‘wroetplaatsen’ blijken te bestaan en er lijkt geen betere term om verschillende van hun schilderijen mee te omschrijven. Zo blijft het labeur en cultiveren van de schildersmaterie tot in de verfhuid een leesbaar proces.

Jean De Groote wil in zijn landschappen de authentieke natuurbeleving evoceren, deze overrompeling valt moeilijk uit te drukken in een klassiek meetbare visuele neerslag. In het delven naar de navel van deze ervaring dient elk schilderij opnieuw een scheppingsverhaal te worden. Daar hij het Vlaamse landschap vaak zoekt in haar ruwe oude gedaante, is de picturale genese ervan niet gediend met soepele of gepolijste borstelsporen. Zoals de kleigrond  soms bruut opengescheurd wordt om vruchtbaar te maken, geeft de verfmaterie zich evenmin zomaar weerloos over. Esthetisch is hij zijn eigen god en woelt de schildersmaterie om tot het gelaat van zijn artistieke identiteit. Jean De Groote beleeft het schilderen met de mentaliteit van een ‘Flandrien’, een coureur met modder aan de ketting, beukend in de tegenwind, voortdreunend over kasseien, onder een lucht die benauwelijk drukt op de aarde. Zijn realiteit is onverschoond en ontdaan van opsmuk. Daarom kan niet iedereen uit de Vlaamse schildertraditie als voorbeeld worden aangehaald. Zo werkten Jan Van Eyck of Frans Snijders meer in een hoofse traditie waarbij elk geschilderd artefact zijn nietigheid ontstijgt in sublimerende borstelsporen. Een haring, parelhoen, lam of os worden bij hen nooit echt kadavers, hoewel ontdaan van hun vel lijken ze nog in volle levenskracht gevat en blijven verleiden door hun glacerende straling. Jean De Groote daarentegen wil overtuigen door zijn esthetische nederigheid. Composities zijn tot de directheid van de eenvoud gebracht en een knol blijft op die wijze gewoonweg een knol. Deze mimesis van bescheidenheid geldt trouwens voor beide kunstenaars en geeft hun relatie tegenover de realiteit het zuiverst aan.

Des te vreemder is dat vele zogenaamd ‘Vlaamse literatuur’ zich net daar van los spartelt. Zo merkte Marcel Janssens ooit op dat het in ‘De Witte van Zichem’ nooit regent. Wim Verrelst verwondert zich in ‘Trots en schaamte van de Vlaming’ over Pallieter, die leeft in een land waar de oogsten steeds weelderig en overvloedig zijn, moeder aarde met gulle borsten het land doet overstromen van melk en honing. Pallieter hoeft niet te werken, tenzij voor zijn plezier, geld bezit hij in overvloed, maar nergens wordt verklaard waar dit vandaan komt. Het verhaal schetst een omgekeerd beeld aan de toenmalige sociale werkelijkheid. Maar misschien kon het alleen geschreven worden door iemand die de ellende scherp heeft geobserveerd en zich bewust was van de tegengestelde droombeelden die die realiteit ontstegen. Zonder de eventuele ascetische deugden van de armtierigheid te willen verheerlijken, mag men desalniettemin stellen dat het besef van de existentiële bescheidenheid verrijkend kan zijn. Vandaar misschien de nadruk bij beide kunstenaars in het tonen van de dingen in hun vergankelijke gedaante, fase van overrijpheid en gedeuktheid.

Bij Jan De Wachter botst de doctrine van het absolute op het besef van menselijke eindigheid, rationele beperktheid en worstelt bovendien met de onverklaarbare passies die het bevattingsvermogen aangenaam vertroebelen.
Die verwijdering van het absolute impliceert geenszins dat alles absurd of zinloos geworden is. De voetsporen op verschillende van zijn werken suggereren eerder de zoekende mens. Verwant aan Zeno uit het ‘Hermetisch Zwart’ van Marguerite Yourcenar of ‘Stalker’ van cineast Andrei Tarkowski met steeds de vraag naar de zinvolheid der dingen. Bij het formuleren van eigen antwoorden blijken oude oplossingen vaak sleets, als passe-partouts die te weinig voeling hebben met het slot dat de kunstenaar wil forceren.

Jan plukt de dingen zelden in hun absoluut volmaakte toestand. Zijn idee van eeuwigheid (net als Jean) ligt eerder in het gegeven dat fenomenen terugkeren en onderdeel uitmaken van een grotere kringloop binnen een cyclische tijdsbeleving. Dit opgaan in een groter geheel, komt bij Jan De Wachter eveneens compositorisch - zowel in sculpturen als schilderijen - tot uiting. Er zijn bijna geen delen die werkelijk domineren, alles is op elkaar afgestemd. In zijn schilderijen heerst een soort van picturale evenwaardigheid, zijn lichtwerking is niet méér of minder begunstigend voor bepaalde partijen. De dramaturgie van licht en kleur rust in een algeheel gedempte atmosfeer waarbij het doven van de felheid tot een zekere kwetsbaarheid leidt. Misschien zijn de werken van Jan te vergelijken met een vorm van gastvrijheid waarbij de deur ten allen tijde open staat. Dit is iets anders dan het geplande bezoek, waarbij men vaak de kans benut de fraaiste elementen te etaleren. De onverwachte bezoeker echter, is gelukkig gewoonweg opgenomen te worden en aanvaardt wat er op dat ogenblik gedeeld kan worden. Soms is dat niets speciaals, de rijkdom zit in het gebaar van het delen zelf. Dit is het soort van beelden die deze kunstenaar ons toont, als foto’s die toevallig zijn, waar men de kans niet voor gekregen heeft te poseren. Maar zelfs in de periode dat stoppels maïs onverzorgd zijn achtergelaten en het landschap geschoren is van zijn overvloed, blijft de natuur schenken. Exemplarisch hiervoor staat de spruitkool die in karige omstandigheden opbloeit en de uiterlijke gratie van de zomerse bloem opvangt. Deze groente heeft iets groots in haar bijna anonieme bestaan, misschien zoals ‘De val van Icaros’ welk beeld beide kunstenaars kozen voor deze tentoonstelling. We weten vandaag met zekerheid dat het schilderij niet kan toegeschreven worden aan Pieter Bruegel de Oude. Het kunstwerk is wees geworden en kan niet langer verbonden worden met een naam, maar zelfs in die anonimiteit blijft het meesterlijke overleven.

Stef Van Bellingen, december 2001

© Stef Van Bellingen