Teksten

Eenheid en Verlangen - Peter De Graeve

Eenheid en verlangen
tekst: Peter De Graeve

‘Verlangen naar eenheid’ is voor Jan De Wachter alles behalve een romantisch ideaal: het is een artistieke opgave. Dit verlangen is, in eerste instantie, een verlangen naar beelden, en beelden bestaan, zoals men weet, alleen in meervoud. De beeldtaal is polyglot: één beeld is geen beeld; het vasthouden aan één enkele visie is vaak synoniem voor blindheid. Een beeld is… beelden.

Bijgevolg zou je de inzet van Jan De Wachters creativiteit kunnen vertalen als een verlangen naar zoiets als ‘veelvuldige eenheid’… Of als een wil tot ‘meervoudige eenvoud’… Alleen is in de picturale eenvoud niets ooit eenvoudig: de eenvoud bereik je slechts op het hoogst denkbare niveau van gecompliceerdheid, in de volheid van een métier, die in het beste geval de volheid van een vrucht is, volgroeid, vervuld, aantrekkelijk, in het slechtste geval echter de volheid van de berg, ijzig, ontoegankelijk, eenzaam. De vrucht is een vaak wederkerend thema in het oeuvre van Jan De Wachter. Maar deze stillevens heten niet voor niets ‘tranende vruchten’: dit is volheid in ontbinding. Dichter bij hem – maar in zekere zin verder van ons verwijderd – ligt de volheid van zijn landschappen, waarin ijs en sneeuw en eenzaamheid de ervaring kleuren. (De ervaring van de kunstenaar? Wie weet? In ieder geval de ‘kijkervaring’ van de toeschouwer.) Jan De Wachters volheid heeft inderdaad de allures van de berg: eenzelfde gevoel van massa, eenzelfde indruk van verlatenheid, eenzelfde monumentaliteit. Maar deze monumenten zijn dan weer niets anders, niets ‘méér’, dan momenten: beide begrippen delen, zoals men weet, dezelfde taalkundige achtergrond. De Wachter brengt het moment en het monument in de voorgrond samen.(Want het beeld ís voorgrond; het is nooit iets anders geweest dan dat; het creëert de voorgrond van een vlak, en creëert daardoor het vlak zelf; alleen door de creatie van een beeld is het vlak ‘achtergrond’ kunnen worden. Het beeld is de grond. In de voorgrond, in het beeldvlak, worden het monumentale en het momentane door de kunstenaar opnieuw tot eenheid gebracht, ze raken versmolten.)
In de eenzaamheid van de landschappen piekt de eenvoud. Maar deze eenvoud verbergt het meervoud zoals de ene berg een veelvoud van andere bergen verbergt.

In (of onder) de eenvoud op zoek te gaan naar de complexen van de hedendaagse kunst; of omgekeerd, tegen de achtergrond van het bonte gekakel van de hedendaagse kunst met de eenvoud van een oeuvre geconfronteerd te worden. Daar ergens ligt, althans voor de filosoof, de uitdaging waarvoor het werk van Jan De Wachter ons plaatst. Men zou kunnen beweren dat er nu eenmaal niets eenvoudig is in de schilderkunst’; maar dit ‘nu’ is nooit nu, en niets is ooit eenmalig – niet in het schilderen!
Zo’n artistiek verlangen naar eenheid of eenvoud kan niet anders dan als ‘paradoxaal’ worden ervaren: het strijkt tegen de haren van traditionele meningen in, het is pará dóxas. De kunst van Jan De Wachter is een paradox. Maar het is ook, en wellicht meer nog, een parafrase. De formule ‘1 en 1 = 1’ () is Jan De Wachters mathematische uitdrukking van de paradoxale één–in–veelheid. (Maar is ze enkel mathematisch? Is ze niet ook metafysisch?) ‘1 en 1 = 1’ is het soort rekensommetje dat een primitief mens zou maken: een, twee, drie, veel. ‘Één en veel zijn één’, betekent tegelijk: ‘veel + één is nog altijd = veel’. Van welke zijde je het ook bekijkt: dit soort rekensommen klopt nooit – want… klopt altijd.
Je gaat er beter niet van uit dat Jan De Wachters eenvoud eenvoudig is…

Jan De Wachters oeuvre is een oxymoron. Het brengt tegengestelden aan het licht, en plaatst ze naast – maar niet tegenover – mekaar. De hoogste top is een diep dal. Slechts in de ijzigste eenzaamheid van een verlaten landschap ben je geborgen. Het is, tot z’n essentie herleid, het oxymoron van een ‘levende dood’: zolang een levend oog zich geraakt voelt in en door de doodse materie, zoals Merleau-Ponty beweert, zolang is er de ruimte van de eenheid van de kunst, waarin De Wachter zich beweegt, verdwaalt, maar waar hij zich tegelijk ontplooit,–   zolang ook blijft het paradoxale bestaan.
Strikt genomen bestaat de paradox alleen in de gesproken taal. In de beeldtaal bestaat er niet zoiets als de ‘paradox’: een beeld is een beeld, aan de lijn. Er is geen beeld dat tegen de gangbaarheid van beelden in kan gaan. Ieder beeld is beeld, voor de volle laag. Precies dat is vandaag het paradoxale: dat ál onze beelden één en al beeld zijn, het hele beeld en niets dan het beeld. Aan deze paradox van het niet-paradoxale lijdt de hedendaagse schilderkunst. Hoe nog beelden maken die niet, zoals gebruikelijke beelden, één en al beeld zijn, het hele beeld, niets dan het beeld? Dit paraïde (pará eîdos) maakt de hedendaagse kunst paranoïde.

Het werk van Jan De Wachter is een oxymoron. En als dusdanig heeft het ‘1 + 1 = 1’ helemaal niets primitiefs. Het is veeleer de magische formule van een eindeloze parafrase (ook al is dit werk op zoek naar het allereerste – naar een begin, een oorsprong.) Dat het beeld zelf, zeer in het algemeen, grond is – dat het ‘grondt’ –, en dat Jan De Wachters beeld, in het bijzonder, berg is – dat het ‘bergt’ en ‘verbergt’ –, verklaart de metafoor van het aardse die in dit werk zo centraal staat. Het aardse vervult de rol van een eenvoudig meervoud. (Ál het aardse, zoals in het gezegde ‘alle aardse dingen’… Maar er is niets dan dit aardse!.. Alles is aards, alle dingen: ook het aardse is dus simpelweg één, en is ontzettend veel…) De metafoor wordt door Jan De Wachter tegelijk begrepen als een parafrase: het aardse beweegt hem tot een voortdurend parafraseren, de kunstenaar zit in parafrasen gevangen, als een vlinder in de pop; de metafoor van het aardse ontwikkelt zich in hem.
Een dergelijke parafrase kan men letterlijk horen (en lezen) in verwijzingen naar Nietzsche. Maar ook deze verwijzing verschijnt in de beeldtaal van de kunstenaar als een veelvoud, veelvuldigheid. Er is inspiratie, gevonden in de denkwereld van Nietzsche, maar ook dit denken is niet zomaar ‘achtergrond’: het wordt in het kunstwerk op de voorgrond gebracht zonder letterlijk zichtbaar te worden. Wat De Wachter met dit denken probeert te doen, is het in een beeldtaal verder op weg te helpen. De hele paradox van het niet-paradoxale van de beeldtaal komt via de nietzscheaanse parafrase aan het licht.
Het valt te betwijfelen of de taal een woord als het ‘vuldige’ ooit zal kunnen verdragen: de volheid in ettelijke beelden verstrooid, gefragmenteerd, vertrapt – zoals meerdere van De Wachters tekeningen, letterlijk met voeten getreden –, daar ‘gestremd’, geklonterd, vervuild, en in die zin vervallen. De volheid… ‘vervuldigd’? Neen, zo’n begrip zal de gesproken taal nooit kunnen verdragen. Niettemin kunnen de beelden van De Wachters het moeiteloos: ze treffen het aardse met een volheid die onrein blijft, vervuild, met voeten getreden. Geaard. Wat is het meervoud van aardsheid? (Is het antwoord hierop: ‘kunst’? We weten het niet.)

‘Blijft de aarde trouw,’ is een uitspraak van Nietzsche die in De Wachters oeuvre in beelden wordt geparafraseerd. Het zijn beelden gericht tot vrienden – de vrienden tot wie Nietzsche zelf zich richtte. Beelden gericht tot de eenzame, sprakeloze, ontwortelde. (De hedendaagse kunstenaar is tegelijk ‘performer’: vaak zag men De Wachter tijdens dergelijke performances in bomen klimmen: een ontwortelde op zoek naar meer grond, betere grond, naar een hoger en eenvoudiger aards wezen.) Blijf de beelden van de aarde trouw. Blijf de aarde in beelden trouw. Dit is de frase die Jan De Wachter tot onbestemde, gestremde, vertrapte, ontwortelde vrienden richt. Zijn beelden klauteren in alle eenzaamheid tegen de wereld op. Een beeld in de bomen. Maar in de grond van dat beeld (zoals men zegt: ‘in de grond van het hart’), wereld. Een wereld vol verlangen, maar alles behalve romantisch. Een wereld van eenvoud, maar pijnlijk complex. Een wereld in eenheid, maar in duigen en scherven, en dus – veel.
Prof. dr. Peter De Graeve doceert kunstfilosofie aan de Universiteit Antwerpen.
Sylvain De Bleeckere, Tragiek, Transcendentie en Triade – Beeldend denken nabij het oeuvre van Andrei Tarkovski (een begin), Men(s)tis, 1999.