Teksten

Cultus Agrorum - Francis Smets

Cultus agrorum
FRANCIS SMETS

Terre-à-terre: het werk van Jan de Wachter zou kunnen samengevat worden in dit ene  woord, op voorwaarde dat de betekenis ervan volledig omgekeerd wordt. Niet: ‘laag bij de gronds’, maar: ‘aarde-tot-aarde’. Het is het tragische en hartverwarmende besef een bewoner van de aarde te zijn, eens en voor altijd aan de aarde toe te behoren.

Er is een eerste, eenvoudige indicatie: het doek of het papier wordt op de grond gelegd om beschilderd of betekend te worden. De kunstenaar kent zichzelf het recht toe er op te lopen, het te betreden als een veld en het desnoods te vertrappelen, letterlijk, zoals de boer zich op de akker begeeft en niet anders kan dan zijn voetsporen in de aarde achter te laten. Niemand ervaart én beseft beter zijn plaats op de aarde als de boer. Op de grond wordt het papier of het linnen zelf een beetje aarde, alsof zij de eigenlijke drager van het werk is.
Men heeft niet zozeer de indruk dat Jan De Wachter schildert of tekent, maar veeleer dat hij het doek of het blad bewerkt. De schilderijen en de tekeningen roepen de suggestie op dat ze met aarde gemaakt zijn. Het gevlekte oppervlak lijkt zich aan het rulle zand te willen spiegelen. De bladen vormen lappendekens als velden. Het panoramische beeld strekt zich in de breedte uit en zet de traditie van de landschapsschilder verder.

Men kan bij dit werk niet anders dan aan de passage in Der Ursprung des Kunstwerkes denken, waarin Heidegger de boerin als een even grote dichter of kunstenaar als Van Gogh beschouwt. Heeft men er ooit bij stilgestaan waarom Heidegger deze verhouding tot de aarde vervrouwelijkt? Op vertrouwde voet staan met de aarde, een ingewijde in haar geheimen zijn, het verbond van geboorte en dood kennen, is een voorrecht van het vrouwelijke. Of wil Heidegger trouw blijven aan de Griekse mythologie en haar aardse godinnen? Demeter, de godin van de landbouw, is de bebouwde aarde. Zij heeft een bloedband met Persephone-Korè, het graan dat in de aarde valt, nieuw leven voortbrengt en sterft. Daarom is zij tevens de godin van het dodenrijk.

De toenadering tussen deze twee ‘dichterlijke bewoners van de aarde’, de boer en de kunstenaar, is misschien wel het doel van de zoektocht van Jan De Wachter. Als kunstenaar wil hij zich verwant voelen met de boer.
Landbouw is een gesprek tussen mens en aarde, ‘van vrouw tot vrouw’, want als gesprekspartner is de mens geen plunderaar maar een hoedster. Het is een ontmoeting met het leven zelf in al zijn aspecten van geboorte, groei, verval en dood. Landbouw is ‘een roeping om zichzelf in die zinvolle ordening te plaatsen’, schrijft landbouwer Johan D’Hulster (‘Landbouw en stilte’ in Stilte werkt, Geraardsbergen, 2003, p.13). Dit is letterlijk van toepassing op het werk van Jan De Wachter. Zijn kunst streeft naar een eigenzinnige cultus agrorum, bebouwing van het land.
Cultus agrorum, landbouw, is meer dan een nuttige activiteit. Het is ook een geestelijke bekommernis. Omdat zij een eerbiedige hulde is, kan zij een cultus genoemd worden. De ‘trouw aan de aarde’ is ook de geloofsbelijdenis van Jan De Wachter.

In onze tijd wordt de activiteit van de boer met een zekere laatdunkendheid bekeken. De kunstenaar daarentegen is vandaag meer dan ooit in de adelstand verheven. Dat is een onrechtvaardige discrepantie. Jan De Wachter geeft aan de kunst iets van de nederigheid terug, waarmee zij kan opkijken naar het veel grotere: het leven zelf.

Het terre-à-terre van Jan De Wachter, zijn blik naar onder, is dus in werkelijkheid een blik naar boven. Op zijn manier zoekt hij de hemel. Indien de hemel niet dichtbij is, binnen handbereik, is hij een leugen. Je moet hem kunnen aanraken, betasten, beluisteren, ruiken, proeven. De hemel is te vinden in het groeien van de perenboom, in de geur van de omgeploegde aardkluiten, in de gerooide bieten, in het onkruid dat een weg zoekt tussen de voegen van de stenen, in het mos dat zich aan de rivierkeien vastklampt.
De aarde is niet laag. Zij is ‘op de hoogte’. Verklaart dat de vreemde neiging van Jan De Wachter om op het doek of het blad te schrijven? Het zijn als het ware woorden in, met en door de aarde geschreven. De aarde bestaat vijf miljard jaar. Als het zo is dat ‘het verstand komt met de jaren’, moet zij ons veel te vertellen hebben. Maar zij zwijgt in alle talen, behalve voor die zielen die openstaan voor haar spraak. Woorden in de aarde geschreven moeten wel een eeuwenoude wijsheid bevatten

De cultus agrorum van Jan De Wachter is vrij van valse romantiek en blijft in die zin terre-à-terre. Zijn natuur laat zich niet langs haar mooiste kant zien. In zijn wereld lijkt het altijd herfst te zijn. Er heerst een onnaspeurbare droefheid. Het is de tijd van de rottende bladeren, de verschrompelde vruchten, de schimmels op de vochtige schors. De aarde toont geen beminnelijk gelaat. Schraal en desolaat, bar en vergankelijk lijkt zij de schaarse menselijke figuren niet echt te verwelkomen. Het is alsof de kunstenaar wil zeggen: ik heb de aarde nodig, maar de aarde heeft mij niet nodig. Hij tekent met het bewustzijn dat ieder (voet)spoor in de aarde spoedig weer verdwijnt. Een regenbui volstaat al om de doortocht van de mens uit te wissen.

En toch. De aarde bestaat vijf miljard jaar en ik loop, fiets, hurk, kniel... hier. Dat besef is een bron van vreugde. Deze aarde duldt mij, meer nog, zij biedt mij een grond onder de voeten, een bestaansgrond. Achter haar schijnbaar onvriendelijke trekken betoont zij zich gastvrij. Er spreekt dan ook een immense dankbaarheid uit het werk van Jan De Wachter.
Ik kan schuilen in de aarde, beschutting zoeken, erin wegkruipen als een insect. Wie een plek zoekt, moet zich tot de aarde wenden. Zij is goed gezelschap voor de eenzame mens. Daarom richt Jan De Wachter zich altijd tot haar in de U-vorm, de beleefdheidsvorm.

Dit samengaan van blijheid en droefheid brengt hem veel dichter bij de Sabi-esthetiek van de Japanse Zen-filosofie dan bij de strategieën van de actuele kunst.
Sabi is de meditatieve schoonheid die besloten ligt in de verzoening  met de onophoudelijke beweging van ontstaan en vergaan, waaraan alle leven onderworpen is. Daar moeten wij leren vrede mee te nemen. De ware schoonheid erkent daarom haar vluchtigheid en onvolmaaktheid. Haar vreugde is steeds gekleurd met droefheid.
‘Een boer dient een behoeder te zijn van levensprocessen, gericht op oneindigheid’ (Johan Hulster, p.14). Als kunstenaar lijkt Jan De Wachter hier eveneens zijn missie van te maken.