Teksten

Gloren - Peter De Graeve

Gloren

De man is er niet. Niet deze man, niet op dit beeld. Alleen landschap is er: land, aarde, grint, grond, gruis – die hij daar, de man die niet is, niet eens ziet… Hier is zelfs de lucht met sintels, stenen, kraters en maankorrels volgegooid.
Kijk, ik ben er niet. Niet hier. Niet eens. In dit beeld niet in beeld. Hier, waar ik ben, zonder te zijn, is niemand. Niet eens iemand… Wie zijn toch diegenen, die er niet zijn? Waar is hun aanwezigheid gebleven? (Tenzij hier dan? Kijk dan, hier.) – Dan, niet nu en niet eens. Niet deze man. Niet hier. Dit afwezig zijn, dan.

Twee brede horizontale vegen verklaren ons de wereld – wereld van schemerduister, wereld ín schemerduister. De ene veeg grijsgroen, bovenaan, vormt een moeizame herinnering aan lucht, of wat daar op gelijkt. Geen hemel: niet hier. De andere vaalwit, onderaan, bevlekt, bevuild, als het ware betrapt op zichzelf, hier, ‘op aarde’, zoals wij zeggen. Hier op aarde, zoals we zijn – zoals we zien. (Maar zien wij de aarde nog? Luchtige vraag voor aardige kijkers…) De vegen houden samen wat wij te zien krijgen. Samen vormen ze het beeld. De horizonlijn, die daardoor en daartussen in beeld komt, die zich in het beeld vormt, legt uiteen wat de wereld is, en wie daar zijn. (Hij? Hij alleen? Wij? Alleen wij?) Wat door de vegen is samengebracht, wordt in de lijn gedeeld. Want zie, heel dit beeld is horizon en de hele horizon is beeld, één en al beeld. Zoals ook deze kunstenaar horizontaal is, tot het uiterste horizontaal: van einder tot einder.

Maar is het ook niet zo dat, omgekeerd, één verticale vlek ons aan de wereld verklaart? (Kun je zoiets zeggen? Neen: zeggen niet. Maar het kan getoond, het kan geschilderd.) De zwarte vlek vormt de man, die er niet is. Zijn silhouet steekt niet tegen de lucht af, ze steekt erin. Evenmin is zijn beeltenis door de aarde gedragen, maar vloeit erin over, zinkt erin weg. Deze man heeft voor altijd het hoofd in de wolken en de voeten in de aarde. Hij is uitzichtloos, niet eens tot een gluren in staat. En hij is zonder zool, wat betekent: zonder grond. De mens in en zonder grond. Ja, wij gaan spoorloos. Wij staan in de aarde, maar blijven van voedsel verstoken. Wij zijn zonder zog.
Links van hem, bijna binnen handbereik, hangt een tweede zwarte vlek, net boven de horizon. Het is alsof die vlek een zon heeft weggevaagd die onder de kim nog weerspiegeld is. Al het horizontale – de twee brede vegen, grijsgroen, vaalwit, de horizonlijn, de zwarte vlek over de zon – maken dat deze man er niet is. Ze zorgen voor zijn niet zijn. Daarom zit in het samengaan van lucht en aarde niet de minste harmonie en niet het minste houvast. Elke vlek, elke lijn, elke veeg, elke trek is een hoopvol begin van iets onmenselijks.

Onder de horizon ligt een tweede lijn, die precies door het midden loopt, en die ook de man doormidden snijdt. Deze lijn houwt de man de benen af. Deze houw in dit beeld. (Beeldhouw.) Sta.

Hier voert licht het duister aan. En in die komende duisternis staat de man. In alle komende duisternissen, de mens. In de komende mens breekt duister aan. Nachtraad.
Hier gloort niets. Nog niets. De lucht is uitgegloeid. Op aarde laait geen vuur. Een man is het ontgaan dat hij niets meer ziet. Zijn afzien, als het ware, zien wij. Wij staren zijn verblinding aan, gapend, als een afgrond. De afgrond van een gloren: dit duistere gloren, hier.